2 mei 2020

Een Proust-pastiche door Marc Lambron

Zondag 19 april 2020

In zijn editie van 19 april publiceerde Le Journal du Dimanche deze Proust-pastiche, geschreven door Marc Lambron van de Académie Française:

Zo hoorde ik op zomeravonden in Combray, terwijl ik uitgestrekt lag op het bed van de kamer die de zonnestralen overdag met een vergelende glans hadden getooid en die de voorwerpen nog met een fonkelende halo als goudstof leek te omgeven, de stappen van mama die de trap beklom. Die trap gaf een gedempt geluid waarin het hout, verzacht door een vloerkleed van een mauve lieflijkheid, licht kraakte onder haar vertrouwde, geruststellende en als het ware avunculaire voet, ook al was het een vrouw. Zij kwam bij mijn bed staan, de massa van haar haren gevat in een kanten netje dat het profiel tekende dat men in Venetië ziet bij de oosterse prinsessen van Carpaccio, roodachtig en okerkleurig, voordat zij op het nachtkastje de vertrouwde bundel met versleten sluitingen van de Contes du pangolin pakte en de lectuur hervatte bij de bladzijde die de vorige avond was omgevouwen en die mij al leek weg te zinken in de herinnering aan een nabije en toch onherroepelijk voorbije tijd. Zij had voor de avonturen van dit kleine zoogdier met driespitsige schubben eenzelfde belangstelling opgevat als voor de sultanes uit de Duizend-en-een-nacht, zozeer brachten de wederwaardigheden van het leven van de pangolin, die met de zachtheid van een courtisane de krijgshaftige attributen verenigde waardoor ik hem mij geharnast voorstelde als een Carthaagse olifant bewapend voor de strijders van Hamilcar Barca, in mijn kinderlijke geest een smachtende, etherische, slaapwekkende en als het ware dodelijke loomheid teweeg, die mama vrijliet om zo snel mogelijk terug te keren naar het salon op de begane grond waar Swann zojuist was aangekomen.

Marc Lambron