25 februari 2020

Studiedag – een « chimie mystérieuse »: Proust en de allusie

Donderdag 12 maart 2020 · 29 rue d’Ulm

Op donderdag 12 maart organiseren Sophie Duval en Francine Goujon van 9.30 tot 18.00 uur een studiedag in de École normale supérieure, 29 rue d’Ulm, zaal Jean Jaurès, rond het thema:

UNE « CHIMIE MYSTÉRIEUSE » : PROUST ET L’ALLUSION

Enfin, chaque fois que Ruskin, par voie de citation mais bien plus souvent d’allusion, fait entrer dans la construction de ses phrases quelque souvenir de la Bible, comme les Vénitiens
intercalaient dans leurs monuments les sculptures sacrées et les pierres précieuses qu’ils rapportaient d’Orient, j’ai cherché toujours la référence exacte, pour que le lecteur, en voyant
quelles transformations Ruskin faisait subir au verset avant de se l’assimiler, se rendît mieux compte de la chimie mystérieuse et toujours identique, de l’activité originale et spécifique de son esprit.
Marcel Proust, « Préface » à La Bible d’Amiens, Paris, Société du Mercure de France, 1904, p. 12.


Gérard Genette definieerde de allusie in 1982 door haar binnen het domein van de intertekstualiteit te situeren en beschouwde haar als de minst expliciete en minst letterlijke vorm van intertekstuele relaties (
Palimpsestes, p. 8). Daarmee behield hij de traditionele betekenis van het begrip allusie (die van een « impliciete verwijzing »), maar beperkte hij het referentiële bereik ervan tot de intertekstualiteit. Vervolgens kreeg het woord « allusie », zoals Antoine Compagnon benadrukte, uiteindelijk de « modernere betekenis van een expliciete, rechtstreekse en open verwijzing, die […] tegenwoordig die van de allusie is geworden als synoniem voor intertekstualiteit in het algemeen » (« L’allusion et le fait littéraire », 2000, p. 238). Een dergelijke definitie staat ver af van de oorspronkelijke betekenis van de term in het Frans.
Het zelfstandig naamwoord « allusion », in de zestiende eeuw ontleend aan het Laatlatijnse
allusio (afgeleid van adludere), verschijnt namelijk binnen de retorica als aanduiding voor een woordspeling (die verschillende stijlfiguren kan aannemen, met name paronomasie, antanaclasis en denominatio, oftewel een spel met een eigennaam). De term wordt dan ook gebruikt voor een verhulde verwijzing naar de « fabel », dat wil zeggen naar de mythologie. Vanuit deze tweede betekenis krijgt het woord « allusie » in de zeventiende eeuw zijn moderne betekenis: de allusie « verwijst zijdelings naar iets wat men niet openlijk wil zeggen » (Dictionnaire de l’Académie, 1694), zonder overigens op te houden ook een verbaal spel te zijn. De retoricahandboeken behouden deze dubbele definitie: van Dumarsais en Fontanier tot Morier is de allusie zowel woordspeling als impliciete verwijzing. De allusie als woordspeling breidt haar middelen uit tot een grote verscheidenheid aan figuren (syllepsis, metafoor, metonymie, synecdoche, reticentie enzovoort), die zij kan combineren en waarvan zij ook kan afzien door vrije vormen te gebruiken. Tegelijkertijd verbreedt ook het referentiële terrein van de allusie zich: allusies op de fabel, de geschiedenis, de zeden, personen, de actualiteit, literaire werken enzovoort, om uiteindelijk alle mogelijke domeinen te bestrijken. De allusie als woordspeling en de allusie als impliciete verwijzing vallen overigens soms samen, aangezien een woordspel een onderliggende betekenis kan overbrengen.
Wij willen de allusie beschouwen in de betekenis die uit de retorische traditie voortkomt: als impliciete verwijzing naar alle referentiële domeinen, met inbegrip van intertekstualiteit, en met de mogelijkheid een woordspel te vormen.

Juist de overvloed en verscheidenheid van de allusies in Prousts werk, en de bijna zekere wetenschap dat vele ervan om redenen die wij zullen proberen te verduidelijken nog niet zijn ontcijferd, roepen een aantal specifieke problemen op.
De rijkdom en complexiteit van de gebruikte netwerken van allusies werpen namelijk de vraag naar de geadresseerde op. De dimensie van literair spel en raadsel is soms duidelijk. Voor welke lezers is het decoderen, of soms het ontcijferen, van deze allusies bestemd? Zijn zij allemaal bedoeld om te worden gelezen, of moesten sommige onbekend blijven? In dat geval zouden zij eerder behoren tot een specifieke, aan Proust eigen tekstuele werkwijze, tot een formele regel die de eisen van het romanschrijven complexer maakt en leidt tot de productie van een tekst die bijzonder rijk is aan stijlfiguren, en met name aan metaforen.
Om deze vragen te verhelderen willen wij de beschouwing openstellen voor alle soorten allusies en aandacht schenken aan het systeem van tekstuele aanwijzingen, met name de door de schrijver aangebrachte markeringen van intertekstualiteit, maar ook aan woordspelingen en gecodeerde autobiografische of autofictionele verwijzingen.
Het tweede aspect van deze beschouwing bestaat erin de toepassing van allusies te zien als een methode en drijvende kracht van het schrijven, die ongetwijfeld vergelijkbaar zijn met andere methoden en drijfveren, aangezien het gebruik van allusies een kenmerk is van literair schrijven en misschien ook van andere schrijfvormen. Uiteraard zullen wij proberen Prousts eigenheid op dit gebied te benaderen.
Een derde onderzoekslijn, verbonden met de voorgaande, betreft het speelse karakter van allusies en de soms iconoclastische behandeling van de werken en gebeurtenissen waarnaar de tekst verwijst. Dit leidt tot vragen over de kritische functies van de allusie en over de vormen van intertekstuele uitwisseling die zij tot stand brengt.
Een vierde onderzoekslijn zou betrekking kunnen hebben op de receptie van Prousts allusies in de tijd van de auteur en in de daaropvolgende decennia.